4.4.1 Algemeen
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico’s verbonden aan ‘risicovolle inrichtingen’, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt, om het ‘vervoer van gevaarlijke stoffen’ via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen en om natuurrampen.
4.4.2 Risicovolle inrichtingen
De huidige situatie met betrekking tot externe veiligheid wijzigt niet als gevolg van de beheersverordening, aangezien geen nieuwe ontwikkelingen zijn opgenomen. In en rond het besluitgebied zijn wel enkele risicovolle inrichtingen aanwezig, de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO) bevestigt dit. Op de Risicokaart is te zien dat ten oosten van de kern Kaatsheuvel min of meer parallel aan de N261 een gasleiding is gelegen. Daarnaast zijn binnen en aan de rand van het besluitgebied ondermeer twee tankstations met lpg-vulpunt, lpg-afleveringsinstallatie en lpg-reservoir, alsmede enkele locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen aanwezig. Voor de betreffende inrichtingen wordt uitgegaan van de bestaande situatie met bijbehorende risicoafstanden. Echter bij het nemen van besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening is volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) sprake van een nieuwe situatie, ook al wordt een feitelijk reeds bestaande situatie opnieuw vastgelegd in een beheersverordening. Ook de bestuursrechter interpreteert het Bevi in deze zin.
Dit brengt met zich mee dat bij het vaststellen van een beheersverordening, waarbij aan de feitelijke situatie niets verandert, getoetst moet worden aan de afstanden van tabel 1 (nieuwe situaties) van bijlage 1 bij de Revi. Volgens de milieuvergunning van de lpg-tankstations is de doorzet beperkt (maximaal 1000 m3). Dit betekent dat voor nieuwe situaties binnen de 45 vanaf het vulpunt geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Binnen deze afstanden zijn geen kwetsbare objecten gelegen en worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Wel zijn binnen deze afstand beperkt kwetsbare objecten gelegen in de vorm van woningen.
Vanuit VROM wordt geadviseerd om bij het vaststellen van een conserverend ruimtelijk plan (zoals een beheersverordening), waarbij binnen 45 meter vanaf het vulpunt van een LPG-tankstation geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, de bestaande situatie positief te bestemmen, mits de afstanden tussen het LPG-tankstation en een kwetsbaar object groter zijn 35 meter. In onderhavig geval is dit aan de orde. Het tankstation is reeds aanwezig. Derhalve geldt artikel 2, vierde lid, van de Revi. Dit artikellid beoogt een oplossing te bieden voor de vaststelling van bestemmingsplannen c.q. beheersverordeningen die voorzien in het conserverend bestemmen van bestaande kwetsbare objecten. Tegelijkertijd met de vaststelling van deze beheersverordening zal binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit aan de afstanden worden voldaan. Hiervoor wordt de Wm-vergunning gelijktijdig met de beheersverordening aangepast. Met de onderhavige wijziging van de Revi ontstaat een bijzondere situatie waarin artikel 2, vierde lid, strikt genomen niet voorziet. Wel wordt er op een andere manier voor gezorgd dat binnen drie jaar aan de vereiste afstand voldaan zal worden. Immers, in het hierboven genoemde convenant LPGautogas heeft de LPG-sector zich ertoe verplicht ervoor te zorgen dat in 2010 alle LPG-autogastankauto’s zijn voorzien van een hittewerende coating en dat wordt gewerkt met verbeterde vulslang.
Binnen het besluitgebied bevindt zich ook een aantal niet risicovolle bedrijven. In de huidige situatie is geen sprake van buiten de wettelijke grenzen vallende overlast van deze bedrijven. De bedrijfsactiviteiten zijn door middel van de milieuregelgeving en de verstrekte milieuvergunningen afgestemd op de milieugevoelige functies in de omgeving. Daar het plan niet rechtstreeks voorziet in nieuwe ontwikkelingen is onderzoek naar hinder door de aanwezige bedrijvigheid niet uitgevoerd.
4.4.3 Buisleidingen
Aan de oostzijde van het besluitgebied loopt zogezegd een gastransportleiding. Het betreft een aardgasleiding van Northern Petroleum Nederland B.V. met een diameter van 273 mm en een ontwerp-druk van 90 bar. De gemeente Loon op Zand heeft een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) van de leiding verricht (Kwantitatieve Risico-analyse Externe veiligheid t.g.v. de aardgastransportleiding gelegen langs de N261, d.d. 21 februari 2011). De resultaten zijn weergegeven in een rapportage die als bijlage 5 bij deze toelichting is opgenomen en zullen hier kort worden toegelicht.
In de kwantitatieve risicoanalyse zijn de externe veiligheidsaspecten van de aardgastransportleiding vastgelegd. De leiding heeft op een vijftal plaatsen een PR-risico van 10-6 per jaar of meer, zo ook ter plaatse van het besluitgebied. Binnen het deel van één van deze contouren dat binnen het besluitgebied valt zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten gelegen. Er geldt daarom geen saneringsplicht. Het groepsrisico langs de aardgasleiding blijft 0,18 onder de oriëntatiewaarde. Gezien het groepsrisico en omdat het gaat om bestemmingen binnen het invloedsgebied die niet wijzigen behoeft het groepsrisico niet verantwoord te worden.
Binnen het invloedsgebied van de leiding binnen het besluitgebied worden met de voorliggende beheersverordening geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, er is dus geen sprake van toename van het groepsrisico. Alle percelen binnen het invloedsgebied zijn goed bereikbaar en er zijn geen groepen verminderd zelfredzame personen binnen het invloedsgebied aanwezig.
Binnen de PR-contour mogen geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Op korte termijn zal een technische aanpassing van de leiding plaatsvinden, waardoor de druk van de leiding 44 bar wordt in plaats van 90 bar. Northern Petroleum Nederland B.V. heeft een berekening uit laten voeren, waaruit blijkt dat bij een druk van 44 bar de PR-contour op de leiding zelf ligt. Deze berekening is als bijlage 6 opgenomen bij het bestemmingsplan. Door aanpassing van de leiding zal waarschijnlijk ook het groepsrisico omlaag gaan.
4.4.4 Transport gevaarlijke stoffen
Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’. Ten oosten van het besluitgebied is de N261 gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg is echter geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 opgenomen. De N261 is ook geen aandachtspunt in het kader van het groepsrisico. Aangezien in het kader van de beheersverordening geen nieuwe ontwikkelingen worden opgenomen is derhalve geen sprake van een toename van het groepsrisico. Er zijn dan ook geen knelpunten met betrekking tot het plaatsgebonden en het groepsrisico ten aanzien van de N261.
Verder komen in (de nabijheid van) het besluitgebied geen rail- , weg- en vaartransportroutes voor uit de lijsten met aandachtspunten of knelpunten voor het plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). In deze situatie zijn evenmin veranderingen voorzien.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.4
Externe veiligheid
Onderdeel van Beheersverordening Woongebieden Kaatsheuvel gemeente Loon op Zand