Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Maatstaf van heffing en belastingtarief

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting budel-centrum 2018

De reclamebelasting wordt geheven per vestiging. Indien de vestiging gelijk is aan de onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, bedraagt de heffingsmaatstaf een vast bedrag, vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van de WOZ-waarde. In afwijking van het tweede lid, bedraagt de heffingsmaatstaf, indien de vestiging deel uitmaakt van één onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, een vast bedrag vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van het deel van de vastgestelde WOZ-waarde dat aan de vestiging kan worden toegerekend. Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van delen van de vestiging die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Indien met betrekking tot een vestiging geen WOZ-waarde is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet WOZ. Het vaste bedrag voor de reclamebelasting bedraagt € 256,50 per vestiging. Het in het vorige lid genoemde bedrag wordt vermeerderd met € 1,34 per € 1.000,- van de waarde van de vestiging, zoals deze met het in achtnemen van het bepaalde in de voorgaande leden is bepaald, voor zover de waarde meer bedraagt dan € 190.000,-, met een maximum van € 359,15 per vestiging. Het totale tarief voor de reclamebelasting bedraagt maximaal € 615,65 per vestiging. Indien de vastgestelde WOZ-waarde naar beneden wordt bijgesteld, wordt de aanslag ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag voor de reclamebelasting.

Rechtspraak bij dit artikel