1.Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanspraak op een
maatwerkvoorziening.
Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van:
eigen kracht en/of;
gebruikelijke hulp en/of;
mantelzorg en/of;
hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of;
algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;
voorliggende voorzieningen.
Indien meerdere maatwerkvoorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de voorziening die het meest bijdraagt aan het vergroten van de zelfstandigheid van de cliënt.
Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor zichzelf en zijn omgeving is, en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt.
Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een omvang van maximaal 1.500 kilometer op jaarbasis.
artikel 3.3 Algemene weigeringsgronden
Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:
Indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente.
voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.
indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel 2.3 van deze verordening of doordat een huisgenoot niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening.
indien de maatwerkvoorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;
indien de maatwerkvoorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande en bekende beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase.
indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
artikel 3.4 Hulp bij het huishouden
Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2 en 3.3 van deze verordening komt een cliënt in aanmerking voor hulp bij het huishouden 1 (HH1) voor zover deze niet in staat is de huishoudelijke taken uit te voeren.
Onverminderd het bepaalde artikel 3.2 en 3.3 van deze verordening komt een cliënt in aanmerking voor hulp bij het huishouden 2 (HH2), indien de cliënt niet in staat is om regie te voeren en de hulp opdrachten te geven.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3.2 en 3.3 van deze verordening komt een cliënt in aanmerking voor hulp bij het huishouden 3 (HH3), indien er sprake is van een ontregeld huishouden.
artikel 3.5 Bijzondere weigeringsgronden ten behoeve van het wonen
Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening in het kader van het wonen bestaat indien:
de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud.
de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning ten behoeve waarvan de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd.
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen, verbrede toegangsdeuren, vlonders en een opstelplaats voor de rolstoel.
de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college.
de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd.
indien de noodzaak tot het treffen van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en participatie, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.
a. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen, die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen indien deze voor het betreffende gebouw als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken;
in levensloopbestendige woongebouwen, die tijdens recente nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1 van de wet en lid 1 onder b kan een cliënt, die geen ingezetene van de gemeente Cranendonck is, in aanmerking komen voor een buitenwettelijke voorziening voor het bezoekbaar maken van één woning indien:
de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling; en
het bezoekbaar maken nodig is om te kunnen participeren en het niet mogelijk is participatie op andere wijze te bewerkstelligen; en
de aan te passen woning in de gemeente staat; en
het gaat om het in staat stellen om bij de echtgenoot, ouders of kinderen op bezoek te gaan.
artikel 3.6 Criteria en omvang maatwerkvoorzieningen
1.Onverminderd het bepaalde in de wet en elders in deze verordening komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening met in achtneming van de uitwerking in het Wmo besluit respectievelijk de Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning, die door het college zijn vastgesteld.