De reclamebelasting wordt geheven per vestiging.
Indien de vestiging gelijk is aan de onroerende zaak, als bedoeld in
artikel 16 van de Wet WOZ, bedraagt de heffingsmaatstaf een vast bedrag, vermeerderd met een
bedrag dat afhankelijk is van de WOZ-waarde.
In afwijking van het tweede lid, bedraagt de heffingsmaatstaf,
indien de vestiging deel uitmaakt van één onroerende zaak, als
bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, een vast bedrag vermeerderd
met een bedrag dat afhankelijk is van het deel van de vastgestelde
WOZ-waarde dat aan de vestiging kan worden toegerekend.
Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking
gelaten de waarde van delen van de vestiging die in hoofdzaak tot
woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
woondoeleinden.
Indien met betrekking tot een vestiging geen WOZ-waarde is
vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak
bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet
WOZ.
Het vaste bedrag voor de reclamebelasting bedraagt € 252,- per
vestiging.
Het in het vorige lid genoemde bedrag wordt vermeerderd met € 1,32
per € 1.000,- van de waarde van de vestiging, zoals deze met
inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden is bepaald,
voor zover de waarde meer bedraagt dan € 190.000,-, met een maximum
van € 352,80 per vestiging.
Het totale tarief voor de reclamebelasting bedraagt maximaal €
604,80 per vestiging.
Indien de vastgestelde WOZ-waarde naar beneden wordt bijgesteld,
wordt de aanslag ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde
leidt tot een lager belastingbedrag voor de reclamebelasting.
Artikel 5
Maatstaf van heffing en belastingtarief
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting budel-centrum 2016