Naast de gegevens als bedoeld in artikel 66 en 67, eerste lid, van de regeling wordt bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van fijnstof in de buitenlucht bij veehouderijen in ieder geval gebruik gemaakt van de volgende kenmerken van de omgeving als bedoeld in artikel 73, onder c van de regeling:
de kenmerken van de emissie van alle veehouderijen waarvan de stallen geheel of gedeeltelijk binnen een straal van 500 m van het dichtstbijzijnde emissiepunt zijn gelegen met een totale emissie van zwevende deeltjes (PM10) van meer dan:
800 kg per jaar in ten minste die gevallen waarbij de totale emissie van zwevende deeltjes (PM10) van de veehouderij waarop de berekening betrekking heeft meer dan 800 kg per jaar bedraagt, en
500 kg per jaar in ten minste die gevallen waarbij de totale emissie van zwevende deeltjes (PM10) van de veehouderij waarop de berekening betrekking heeft meer dan 500 kg per jaar bedraagt en uit de gegevens, bedoeld in artikel 66, onder a, blijkt dat de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 μg/m3.