**1..** Subsidie wordt slechts verstrekt indien:
de Europese, rijks- of provinciale gelden die op het moment van de vaststelling van de gemeentebegroting als bijdrage in de kosten van uitvoering van het beleid verwacht mochten worden ook daadwerkelijk worden verkregen;
de instelling kan aantonen dat er behoefte is aan de door de instelling georganiseerde dan wel voorgenomen activiteiten;
de instelling tijdig alle wettelijk voorgeschreven dan wel door het college gevraagde informatie verstrekt die naar het oordeel van het college nodig is voor de beoordeling van het subsidieverzoek.
**2..** Subsidieverlening kan, naast de in artikel 4:35 van de wet genoemde gronden, geweigerd worden indien gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat:
de activiteiten van de aanvrager niet gericht zijn op, dan wel niet in het belang zijn van de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede zullen komen aan de ingezetenen van de gemeente;
de activiteiten niet passen binnen het door de Raad en/of het College geformuleerde beleid;
de activiteiten van partijpolitieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke aard zijn met als doel de verspreiding of vorming terzake van het gedachtegoed;
de voor subsidie voorgedragen activiteiten door de aanvrager zelf bekostigd kunnen worden hetzij uit eigen middelen, het zij uit middelen van derden of een combinatie daarvan;
de aanvrager een geldelijke winst beoogt met de voor subsidie voorgedragen activiteiten.
**3..** De structurele subsidieverstrekking aan een instelling kan op grond van algemene financiële of beleidsinhoudelijke overwegingen worden beëindigd of verminderd op grond van een door het college te nemen besluit. Het college stelt de instelling tenminste zes maanden voorafgaand aan het subsidiejaar waarop het besluit betrekking heeft, schriftelijk in kennis van het voornemen tot dit besluit.
**4..** De subsidieverstrekking aan een instelling wordt beëindigd wanneer:
de instelling bij rechterlijk vonnis wordt ontbonden;
bij de instelling conservatoir beslag is gelegd op het vermogen of een deel ervan;
aan de instelling surseance van betaling is verleend, of,
het faillissement over de instelling is uitgesproken.
Paragraaf 1.
Artikel 4.
Weigering- en beëindiginggronden.
Onderdeel van Algemene subsidieverordening Noordoostpolder 2011