Naar hoofdinhoud
Aan een huishouden als bedoeld in artikel 1, leden 2 en 3, bestaande uit (een) inwoner(s) van de gemeente Stede Broec, kan door burgemeester en wethouders een tegemoetkoming worden toegekend in de kosten van sociaal-culturele deelname, wanneer het netto inkomen van het hoofd/de hoofden van het huishouden tezamen minder bedraagt dan het voor het huishouden geldende toetsingsbedrag, als bedoeld in artikel 6. Onder inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval verstaan het netto maandinkomen: uit of in verband met arbeid in dienstbetrekking, dan wel uit of in verband met arbeid als zelfstandige; ingevolge enige sociale verzekeringswet, dan wel krachtens enige pensloenregeling; voor algemene bestaanskosten ingevolge de Algemene Bijstandswet, voor zover niet zijnde een toes!ag ter tegemoetkoming in de woonkosten; voor levensonderhoud van een onderhoudsplichtige jegens zijn of haar (gewezen) echtgeno(o)t(e) en/of kinderen; in verband met bedrijfsbeëindiging volgens regelen vastgesteld door de minister van economische zaken; berekend naar het theoretisch inkomensdeel ten behoeve van levensonderhoud in de studiebeurs op grond van de Wet op de studiefinanciering; uit kamerhuur, kostgeld of onderhuur, te stellen op ƒ 200,00 per maand per kamerhuurder, kostganger of onderhuurder; uit overige in het jaar genoten bestanddelen van het onzuiver inkomen, zoals die bepaald worden krachtens de Wet op de inkomensbelasting 1964.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel