**1..** Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen
die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt
beoogd.
**2..** Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van
werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen
van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze
vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.
**3..** Onverminderd artikel 2, vierde lid, kunnen de beschikbare
voorzieningen als volgt worden ingezet:
voor jongeren met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
worden in beginsel de voorzieningen genoemd in artikel 5,
onderdelen a tot en met d en e ingezet;
voor jongeren die zich richten op arbeid in zelfstandig
bedrijf of beroep wordt in beginsel de voorziening, genoemd
in artikel 5, onderdeel i, ingezet;
voor jongeren met een taalachterstand wordt in beginsel de
voorziening, genoemd in artikel 5, onderdeel k,
ingezet;
voor jongeren met een arbeidshandicap worden in beginsel de
voorzieningen genoemd in artikel 5, onderdelen a tot en met
k ingezet;
voor jongeren die alleenstaande ouder zijn, worden in
beginsel de voorzieningen genoemd in artikel 5, onderdelen
e, f en k ingezet;
voor jongeren zonder startkwalificatie wordt in beginsel de
voorziening genoemd in artikel 5, onderdeel f, ingezet.
**4..** Het college vult de voorziening bedoeld in het eerste lid voor de
jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met scholing
of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij
naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
opleiding de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat
of onvoldoende bijdraagt aan vergroting van de kans op
arbeidsinschakeling van de jongere.