Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2

Artikel 6.2.1

Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs

Onderdeel van Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018

In deze paragraaf wordt verstaan onder school: een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Deze paragraaf is niet van toepassing op leerlingen van scholen voor speciaal en voortgezet onderwijs die voortgezet speciaal onderwijs volgen: Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.1.3 wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers)adviezen van deskundigen die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn. Artikel 6.2.2 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.2.1 lid 1a bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes km bedraagt. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.2.1 lid 1b bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan twee km bedraagt. Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste en/of tweede lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. Artikel 6.2.3 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.2.1 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider indien: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.2.2 en de leerling jonger dan negen jaar is, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel 6.2.4 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.2.1 bezoekt, indien: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 6.2.2 of 6.2.3 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 6.2.2 of 6.2.3 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.2.3 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken. Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer. Artikel 6.2.5 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; of een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Artikel 6.2.6 Drempelbedrag a. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 25.650,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid 1 bepaalde afstand te boven gaan. Aan de ouders van een leerling die een speciale school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan 155% van het onder artikel 6.2.6 lid 1a vermelde bedrag rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid 1 bepaalde afstand te boven gaan. a. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 25.650,-. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan 155% van het onder artikel 6.2.6 lid 1a vermelde bedrag rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 6.2.2. lid 1 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Het bedrag van € 25.650,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2017 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 25.650,-. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Het drempelbedrag, genoemd in het eerste en tweede lid, wordt geheven voor het eerste en tweede kind uit hetzelfde gezin. Artikel 6.2.7 Financiële draagkracht Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s 0-32.500 Nihil 32.500-39.000 130 39.000-45.000 545 45.000-51.000 1015 51.000-58.000 1485 58.000-64.000 1955 64.000 en verder Voor elke extra € 5.000: € 480 erbij De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Paragraaf 3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs Artikel 6.3.1 Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs In deze paragraaf wordt verstaan onder school: een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Deze paragraaf is alleen van toepassing op leerlingen van scholen voor speciaal en voortgezet (speciaal) onderwijs die voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs volgen. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor leerlingenvervoer eventuele (vervoers) adviezen van deskundigen die voor de beoordeling van die aanvraag van belang zijn. Artikel 6.3.2 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.3.1 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van de fiets gebruik kan maken. In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets/ bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets/ bromfiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per fiets/ bromfiets. Artikel 6.3.2a. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.3.1 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Artikel 6.3.3 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoeraan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld in artikel 6.3.1 bezoekt, indien: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.3.2 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.3.2 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.3.2 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken. Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepaste vervoer. Artikel 6.3.4 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a.een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; b. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, afgeleid van de Reisregeling binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Paragraaf 4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer Artikel 6.4.1 Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders Met inachtneming van artikel 6.1.2 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze paragraaf. Artikel 6.4.2 Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindvervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. Paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk 6 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 6.2.4, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 6.3.3, eerste lid, aanhef en onder a. Hoofdstuk 7 Wmo Paragraaf 1 Maatwerkvoorziening Artikel 7.1.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening Het college neemt het persoonlijk plan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening; het college zet bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening zal worden verstrekt, steeds de ondersteuningsvraag van de cliënt centraal en betrekt bij de beoordeling van diens aanvraag alle betrokken belangen, waaronder de belangen van de cliënt zelf, diens naaste omgeving, diens familie, het maatschappelijk belang in algemene zin en de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid; de maatwerkvoorziening wordt toegekend, indien cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of vrijwilligerszorg; algemene voorzieningen en/of; een voorziening op grond van andere wet- en regelgeving conform artikel 2.3.5 lid 5 van de Wet; een maatwerkvoorziening draagt bij aan het bereiken van de volgende resultaten: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en/of; het voeren van een gestructureerd huishouden en/of; het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of; beschermd woont en/of; wordt opgevangen; indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe; bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is. Artikel 7.1.2 Weigeringsgronden Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 7.1.1 lid 3 van deze verordening; indien het een voorziening betreft die de cliënt voor de melding, aanvraag of het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend; voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in- en om de woning gebruikte materialen; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen andere noodzakelijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden; als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. Het college verstrekt geen woonvoorziening als de cliënt woont in of verhuist naar een hotel, pension, trekkerswoonwagen, vakantiewoning, tweede woning of intramurale opvang. Geen pgb ten behoeve van een verhuizing wordt verstrekt: als cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen; als cliënt verhuist naar een tijdelijke woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar te bewonen. Paragraaf 2 Persoonsgebonden budget Artikel 7.2.1 Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb) Het college verstrekt, indien cliënt dit wenst, een pgb indien: de cliënt op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger (niet zijnde de hulpverlener), in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt de aan het pgb verbonden taken en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze kan uitvoeren en op zich kan nemen; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen; het college van oordeel is dat de in te kopen maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de Wmo 2015 verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden; bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura; wanneer cliënt niet professionele ondersteuning verwerft of via het informele circuit ondersteuning verwerft, wordt de hoogte van het pgb bepaald aan de hand van het geldend minimum uurloon vanaf 23 jaar; een pgb ten behoeve van verhuizing bedraagt de werkelijke kosten (tot maximaal € 2.500) indien verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is en cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de hoogte van een eenmalige pgb voor aanpassing van de betreffende woning vastgesteld op maximaal€ 2.500. een pgb voor het gebruik van een (rolstoel)taxi/individueel taxivervoer bedraagt het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 500 zones per jaar; Het bezit van een eigen auto is algemeen gebruikelijk. Indien het gebruik van de eigen auto in het specifieke geval van de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, bedraagt het pgb voor het gebruik van de eigen auto €0,19 per kilometer tot 2500 kilometer per jaar; van de maxima genoemd in sub d tot en met g kan op basis van maatwerk gemotiveerd worden afgeweken indien deze niet toereikend blijken te zijn. een pgb ten behoeve van een autoaanpassing bedraagt de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen. Aan het verkrijgen van een pgb voor een autoaanpassing, zijn de volgende voorwaarden verbonden: de cliënt vraagt minimaal twee offertes aan; het college accepteert de geldende goedkoopst adequate offerte; alleen noodzakelijke op het vervoer van de cliënt of het gebruik door de cliënt gerichte autoaanpassingen komen voor een pgb in aanmerking. Aanpassingen die zijn gericht op comfort zoals wandbekleding en isolatie komen niet voor vergoeding in aanmerking. Een pgb voor aanschaf van een sportvoorziening bedraagt maximaal de laagste prijs die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier. Een sportvoorziening wordt verstrekt als er een noodzaak bestaat voor maatschappelijke participatie; een pgb ten behoefte van het bezoekbaar maken van een woning bedraagt de laagste kosten van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdend met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer; een pgb voor het bezoekbaar maken van een woning voor een cliënt die buiten de gemeente woont of een cliënt met een WLZ indicatie bedraagt de werkelijke kosten tot een maximum van € 5.000,- Uit het pgb worden alleen de kosten voor aanpassing van de entree, de woonkamer en het toilet vergoed; Indien een pgb wordt verstrekt voor de aanschaf van goederen wordt indien van toepassing een (jaarlijks) bedrag verstrekt ter dekking van een deel van of de totale onderhouds- en reparatiekosten. De maximale vergoeding staat gelijk aan het bedrag voor onderhouds- en reparatiekosten voor de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura. Het tarief voor maatwerkvoorzieningen in natura wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index. Hier wordt bij de toekenning van het pgb rekening mee gehouden. Een pgb ten behoeve van tijdelijke huisvesting of dubbele woonlasten bedraagt maximaal de werkelijk gemaakte kosten, voor een periode van maximaal drie (3) maanden met als maximum de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag. Wanneer cliënt via het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer gecompenseerd wordt (Wmo-taxi) dan is er geen sprake van een bijdrage in de kosten. Er is dan sprake van een reizigersbijdrage (per zone) die overeenkomt met de geldende tarieven van het reguliere openbaar vervoer. Artikel 7.2.2 Opschorting betaling uit het pgb Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet. Paragraaf 3 Bijdrage in de kosten van een algemene voorziening Artikel 7.3.1 Regels voor bijdrage in de kosten van een algemene voorziening Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde onafhankelijke cliëntondersteuning, kan de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn. De raad bepaalt de hoogte van deze eigen bijdrage, die kan worden vastgelegd in door het college te nemen subsidie-besluiten aan de betrokken uitvoerende organisaties op grond van de subsidieverordening. Artikel 7.3.2 Regels voor bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en pgb Overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is, met uitzondering van de rolstoel en maat-werkvoorzieningen woningaanpassingen voor jeugdigen tot 18 jaar, cliënt voor het gebruik van een maatwerkvoorziening en pgb een bijdrage in de kosten verschuldigd. De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb worden vastgesteld op de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 en artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor opvang wordt binnen de kaders van artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld. Het Centraal Administratie Kantoor stelt de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb, vast en int deze. Het college stelt de bijdrage in de kosten voor opvang vast en int deze. De eigen bijdrage is nooit meer dan de maximale kostprijs van de voorziening. Voor de maatwerkvoorziening individuele begeleiding en dagbesteding wordt de eigen bijdrage berekend op de kostprijs per uur tot een maximum van de kostprijs voor huishoudelijke hulp. Voor de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf is de eigen bijdrage de kostprijs tot een maximum van de kostprijs per uur van huishoudelijke hulp. Bij bepaalde vormen van bemoeizorg voor maatschappelijke zorgdoelgroepen is de cliënt geen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening verschuldigd. Het gaat om de doelgroepen, bij wie zorgmijding leidt tot maatschappelijke uitval, of deze in stand houdt. Dit artikel is van toepassing op de volgende vormen van bemoeizorg: Bemoeizorg met vermoeden van verslavingsproblematiek of GGZ problematiek Consultatie & Advies vraag vanuit de uitvoeringsdienst t.b.v. verslavingsproblematiek of GGZ problematiek Advies bij Methadonverstrekking Begeleiding naasten waaronder mantelzorgers t.b.v. omgang verslavingsproblematiek Administratieve ondersteuning bij aanhoudende verslavingsproblematiek Begeleidingstraject daklozenopvang Ambulant begeleidingstraject vrouwenopvang Cliënten tot en met 23 jaar zijn geen bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening verschuldigd. Daarmee worden deze cliënten gelijk behandeld met hun leeftijdsgenoten die onder de verlengde jeugdzorg vanuit de Jeugdwet vallen. Paragraaf 4 Kwaliteit Artikel 7.4.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wmo 2015, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. Van aanbieders van een voorziening als pgb wordt minimaal dezelfde kwaliteitsstandaard verwacht als van aanbieders van een voorziening in natura. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en het uitvoeren van klantkwaliteitsonderzoeken zoals bedoeld in artikel 2.5.1 van de Wmo 2015 en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 7.4.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten en voorzieningen in ieder geval rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; kosten voor bijscholing van het personeel; kwaliteitseisen van de voorziening; deskundigheid van beroepskrachten; het handelen volgens professionele standaarden; arbeidsvoorwaarden passend bij de vereiste vaardigheden van beroepskrachten en de zwaarte van de functie; de eisen rondom duurzaamheid van de voorziening; het creëren van maatschappelijke waarde door de aanbieder; de reële kostprijs van de voorziening. Paragraaf 5 Calamiteiten Artikel 7.5.1 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan; Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar; De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over de afwikkeling daarvan en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Paragraaf 6 Chronische zieken Artikel 7.5.2 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid van de participatie; Het college stelt nadere regels vast over de te verstrekken tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid van de participatie. Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Paragraaf 1 Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 8.1.1 Melding klachten Voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op gedragingen jegens cliënt van het college of personen die namens haar meldingen en aanvragen behandelt, hanteert het college de klachtenregeling ingevolge de Algemene wet bestuursrecht. Onverminderd artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en artikel 3.2 van de Wmo 2015 stellen aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie subsidie is verleend, een effectieve en laagdrempelige regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen jegens een cliënt en de uitvoering/ levering van de voorziening. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klantkwaliteitsonderzoek. Artikel 8.1.3 Betrekken van inwoners bij het beleid Het college betrekt inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning Paragraaf 2 Slotbepalingen Artikel 8.2.1 Nadere regels Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het bepaalde in deze verordening. Artikel 8.2.2 Hardheidsclausule Het college kan de bepalingen in deze verordening in bijzondere gevallen, ten gunste van de inwoner, buiten toepassing laten of daarvan afwijken. Voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze verordening beoogt te beschermen, tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 8.2.3 Indexering Het college kan –tenzij anders aangegeven- jaarlijks per 1 januari de bedragen, opgenomen in deze of op deze verordening berustende nadere regels, verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek en de NEA-index. Artikel 8.2.4 Monitoring Het college verzamelt, ter bevordering van de kwaliteit en de continuïteit van voorzieningen, systematisch informatie over: de ervaringen van cliënten bij de toegekende voorzieningen; de mate waarop de toegekende voorzieningen bijdragen aan de (sociale/economische) zelfredzaamheid en participatie van cliënten; in hoeverre de resultaten uit de beschikkingen daadwerkelijk worden bereikt. Artikel 8.2.5 Intrekking verordeningen en overgangsrecht Met ingang van de inwerkingtreding van de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018 worden de verordeningen: Verordening Jeugdhulp gemeente Blaricum, Verordening Participatie 2015, Verordening Inkomensvoorziening Participatiewet 2015, Verordening Leerlingenvervoer gemeente Blaricum 2014, Verordening wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Blaricum 2015 en de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2015 ingetrokken. Een besluit, genomen op grond van genoemde verordeningen blijft na inwerkintreding van de Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018, voor de duur van dat besluit van kracht totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Aanvragen die zijn ingediend onder bovengenoemde verordeningen en waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening sociaal domein Blaricum 2018. Op bezwaarschriften en (hoger-)beroepschriften tegen een besluit op grond van genoemde verordening wordt beslist met inachtneming van de verordening die daarop van toepassing is. Artikel 8.2.6 Inwerkingtreding en citeertitel Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie in het elektronisch gemeenteblad en werkt terug tot 1 mei 2018. Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening sociaal domein gemeente Blaricum 2018”.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel