Naar hoofdinhoud
1. Een subsidie voor de onder artikel 6 genoemde kosten wordt verstrekt indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: De alleenstaande of het gezin woonplaats heeft in de gemeente, en; De alleenstaande of het gezin een inkomen heeft dat niet hoger is dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm, waarbij de toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden wordt vastgesteld op het bedrag genoemd in artikel 21 aanhef onder c van de Wet werk en bijstand en voor een alleenstaande op 70% van dat bedrag en voor een alleenstaande ouder op 90% van dat bedrag, en; De alleenstaande of het gezin niet beschikt over een vermogen dat hoger is dan het op grond van de Wet werk en bijstand toegestane bescheiden vermogen ex artikel 34, lid 3 van de Wet werk en bijstand, waarbij het meer dan bescheiden vermogen in de eigen bewoonde woning, waaronder mede verstaan woonwagen en woonboot, niet meetelt. 2. Tot het inkomen, zoals bedoeld in het vorige lid, wordt niet gerekend: De middelen, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid van de Wet werk en bijstand; Verstrekkingen in het kader van de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. 3. Voor het vaststellen van het inkomen is bepalend: Bij regelmatig genoten inkomsten binnen het kalenderjaar: het inkomen van de maand voorafgaand aan de aanvraagdatum; Bij niet regelmatig genoten inkomsten binnen het kalenderjaar: de som van de inkomsten over de 3 maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel