**1..** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.
**2..** Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
bij een periode van drie maanden of korter: tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een periode van drie tot zes maanden: tien procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden;
bij een periode van zes maanden en langer: tien procent van de bijstandsnorm gedurende zes maanden.
**3..** Bij een combinatie van algemene en bijzondere bijstand wordt de maatregel toegepast op de algemene bijstand.
**4..** In afwijking van het eerste lid geldt, dat bij het onverantwoord interen van vermogen waarover belanghebbende beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, een maatregel wordt opgelegd ban tien procent over een zodanige periode dat het bedrag van de maatregel gelijk is aan de bijstand die als gevolg van het te snel interen extra is verstrekt, doch maximaal vijf jaar.
**5..** Onder onverantwoord interen van vermogen wordt verstaan een besteding aan algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke omgerekend per maand meer bedraagt dan 1,5 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zonodig aangevuld met een bedrag voor de ziektekostenverzekering.
HOOFDSTUK 4
Artikel 13
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet Werk en Bijstand 2004