De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met in-gang van de dag waarop het college van burgemeester en wethouders aan de subsidieontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 6.1 of 6.2 tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden 13 weken zijn verstreken.