**1.** Jaarlijks vóór 1 mei stuurt de commissie de raad een voorstel, inclusief het jaarverslag, inzake de onderwerpen welke in het volgende jaar mogelijk voor onderzoek in aanmerking kunnen komen. De commissie licht het voorstel in de desbetreffende raadscommissie mondeling toe, waarbij ook aandacht wordt besteed aan de opzet van de betreffende onderzoeken.
**2.** De te onderzoeken onderwerpen moeten aansluiten bij de voorkeuren van de deelnemende gemeenteraden.
**3.** De raad kan zijn gevoelens omtrent de in het voorstel genoemde onderwerpen van de commissie kenbaar maken en suggesties toevoegen binnen twee maanden nadat het voorstel van de commissie is ontvangen.
**4.** De commissie bepaalt vervolgens jaarlijks vóór 1 oktober beargumenteerd de definitieve onderwerpen, welke zij in het volgende jaar wil onderzoeken, omschrijft of en zoja, in welke mate de in lid 2 bedoelde gevoelens en suggesties van de raad aanleiding hebben gegeven, haar voorstel te wijzigen, formuleert per onderwerp de probleemstelling en stelt de onderzoeksopzet vast.
**5.** De definitieve onderwerpen worden ter kennis van de gemeenteraad gebracht.
**6.** De raad kan te allen tijde de commissie een gemotiveerd verzoek doen tot het instellen van een onderzoek. De commissie bericht de raad binnen een maand in hoeverre aan dat verzoek wordt voldaan. Indien de commissie niet aan het verzoek van de raad, voldoet, zal zij daarvoor goede gronden aanvoeren.
**7.** In bijzondere gevallen kan de commissie van de door haarzelf vastgestelde voornemens afwijken.
Artikel 8
Onderwerpselectie en opdrachtverlening
Onderdeel van Verordening gemeentelijke rekenkamercommissie 2010