Naar hoofdinhoud

Artikel 9

Intrekkingsgronden vergunning

Onderdeel van Verordening speelautomatenhallen 1994

1. De burgemeester kan de vergunning intrekken: a. indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 7, onder e; c. indien gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen; d. indien de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden wordt onderbroken. 2. Intrekking van de vergunning geschiedt niet, spoedeisende gevallen uitgezonderd, voordat de burgemeester van zijn voornemen daartoe bij aangetekende brief de vergunninghouder mededeling heeft gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel