Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.2

Artikel 4

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening rioolrecht 2008

1.. Het recht als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd. 2.. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op 90% van het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 3.. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 4.. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd. 5.. Indien de gegevens als bedoeld in het tweede lid niet bekend zijn, wordt het aantal kubieke meters afvalwater van gemeentewege geschat, met dien verstande, dat de voor de berekening van het verschuldigde recht als minimum waterafvoer wordt aangehouden een hoeveelheid van 200m3 afvalwater op jaarbasis.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel