Een aanvraag om subsidie als vermeld in artikel 1 dient de door de in dat artikel bedoelde instantie eenmaal, binnen twee maanden, na afloop van het schooljaar te worden ingediend bij het college, onder opgave van:
a. de namen van de degenen, die met het geven van het godsdienstonderwijs belast zijn geweest in het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;
b. voor elke basisschool afzonderlijk het aantal lesuren gedurende welke dit onderwijs werd gegeven;
c. de dagen en uren, gedurende welke deze lessen werden gegeven;
d. de aantallen leerlingen, die per groep de lessen hebben bijgewoond.
Deze opgave wordt vóór de inzending door de directeur van de desbetreffende school voor akkoord getekend.