Naar hoofdinhoud
1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geë­xploi­teerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare be­zin­ningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, één en ander met uitzondering van delen van zodanige onroe­rende zaken die dienen als woning;d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuur-schoonwet 1928, Stb. 1989, 252, aangewezen land­goed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaar­den, met uitzondering van de daarop voor­komende gebouw­de eigendommen;e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstui-vingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegd-heid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het be­houd van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, één en ander met inbegrip van kunst­werken;g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van pu­bliek­rechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instel­lingen of diensten van publiekrechtelijke rechts­personen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen worden toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uit­zondering van delen van zodanige onroerende zaken die be­stemd zijn te worden gebruikt voor het geven van on­derwijs;k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige ge­bouwde eigendommen -niet zijnde gebouwen- welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals licht­masten, verkeersinstallaties, stan­dbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeen­te in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzon-dering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zoda-nige onroerende zaken die dienen als woning. 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroe-rende zaken voor de eigenaren­belasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel