Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 22, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:
a. aantoonbare beperkingen het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a., onmogelijk maken en/of
b. een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a., niet aanwezig is of
c. aanvrager zelf of wiens partner in het bezit is van een auto en een geldig rijbewijs mits de eigen auto zonder verdere aanpassingen gebruikt kan worden.
Hoofdstuk 5
Artikel 24
Het primaat van het collectief vervoer
Onderdeel van Verordening Voorziening maatschappelijke ondersteuning gemeente Staphorst