Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 17

Spreekrecht voor toehoorders

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies

1. In een openbare vergadering van elk van de in artikel 1 bedoelde raadscommissies bestaat voor toehoorders op de publieke tribune het recht te spreken over onderwerpen, welke behoren tot het werkterrein van de desbetreffende raadscommissie, met uitzondering van agendapunten betreffende het doen van keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen. 2. Indien een toehoorder het woord wenst te voeren, doet hij daartoe vóór de aanvang van de vergadering een verzoek aan de voorzitter of secretaris, bij voorkeur schriftelijk onder opgaaf van naam en adres en van het onderwerp of de onderwerpen, waarover hij het woord wil voeren. 3. Betreft het onderwerp, waarover een toehoorder het woord wenst te voeren, een aan de orde zijnde agendapunt, dan wordt aan de toehoorder door de voorzitter onmiddellijk voorafgaand aan de behandeling van dat agendapunt de gelegenheid gegeven het woord te voeren. Op voorstel van de voorzitter kan de raadscommissie besluiten de toehoorder in de gelegenheid te stellen aan de verdere beraadslaging met betrekking tot dat agendapunt deel te nemen. 4. Betreffende niet op de agenda voorkomende onderwerpen wordt de gelegenheid om het woord te voeren aan de toehoorders gegeven op een tijdstip onmiddellijk na de opening van de vergadering. 5. De totaal beschikbare spreektijd bedraagt per vergadering maximaal 30 minuten. Geen van de zich aangemelde sprekers voert het woord dan na het verkregen te hebben van de voorzitter. De voorzitter bepaalt de volgorde van de sprekers. 6. Elke spreker voert ten hoogste 5 minuten het woord en eindigt terstond met spreken, zodra de voorzitter hem op het verstreken zijn van zijn spreekrecht attent heeft gemaakt. In bijzondere gevallen kan de voorzitter een langere spreektijd toestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel