Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
de wet : de Wet op de kansspelen;
speelautomatenbesluit : KB van 3 mei 1999;
speelautomaat : een toestel, als bedoeld in artikel 30 van de
wet;
kansspelautomaat : een speelautomaat als bedoeld in artikel 30
van de wet;
aanwezigheidsvergunning : de in artikel 30b van de wet bedoelde
vergunning voor het aanwezig hebben van één of meer
kansspelautomaten;
exploitatievergunning : de in artikel 30h, eerste lid, van de
wet bedoelde vergunning voor het exploiteren
speelautomaten;
inrichting : inrichtingen als bedoeld in artikel 30c van de
wet;
ondernemer : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de
inrichting exploiteert;
bedrijfsleider : hij, die algemene leiding geeft aan een
onderneming/inrichting
beheerder : hij, die onmiddellijke leiding geeft aan een
onderneming/ inrichting;
openbare weg : alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen
bruggen en duikers, de tot die wegen of paden behorende bermen
en zijkanten, alsmede kampeerplaatsen en de aan de wegen of
paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
gebouw : elk bouwwerk, dat een voor personen of dieren
toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt;
hoogdrempelige inrichtingen : inrichtingen of gelegenheden in de
zin van artikel 30 van de wet.