Naar hoofdinhoud

Afdeling 2

Artikel 3

Toeslagen voor alleenstaanden van 21 jaar of ouder en alleenstaande ouders van 21 jaar of ouder

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012

De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt:a. 20 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; (of: het in artikel 25, lid 2 van de wet bedoelde maximumbedrag)b. 10 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft; (of: de helft van het in artikel 25, lid 2 van de wet bedoelde maximumbedrag) Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende bij de ouder inwonende meerderjarige kinderen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:- met recht op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000;dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;en over een inkomen beschikt dat niet hoger is dan het bedrag zoals genoemd in artikel 20, lid 1, sub b van de wet. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende bij de ouder inwonende bloedverwanten niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:- bloedverwanten in de eerste of de tweede graad waarbij sprake is van zorg als bedoeld in artikel 4, lid 5, van de wet tussen deze bloedverwant en de alleenstaande of de alleenstaande ouder. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt: - 10 procent van de gezinsnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie lid 1, 2 of lid 3 niet van toepassing zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel