Voor de uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of
aanvaardt, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder
bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing
zijnde norm, vindt vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats
zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder n van de wet.
Voor de uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouder of
alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen, die
arbeid in deeltijd heeft of aanvaardt, waarin een inkomen wordt
verworven dat minder bedraagt dan de voor de
uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, vindt
vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats zoals bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onder r van de wet.
De in de vorige leden genoemde vrijlating geldt niet indien door
het college de vrijlating aan de uitkeringsgerechtigde werd
verleend in een periode van zes maanden direct voorafgaande aan
de datum van toekenning van de algemene bijstand of IOAW- of
IOAZ-uitkering.