1. Indien de belanghebbende tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan
wel de uit de wet of de artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
zich jegens het college zeer ernstig misdragen, legt het college een
maatregel op.
2. Een maatregel bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de
ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij
verkeert.
3. Bij het opleggen van een maatregel wordt deze verordening in
acht genomen, onverminderd de bevoegdheid van het college om de
hoogte of de duur van een maatregel met toepassing van het tweede
lid afwijkend vast te stellen.
Afdeling 1 › Hoofdstuk 1
Artikel 2
Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013