1. Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
2. Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
als:
a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;
b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
college, of van een derde aan wie het college met toepassing van
artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft
uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet;
d. het horen van de belanghebbende redelijkerwijs niet noodzakelijk
is voor de vaststelling van de ernst van de gedraging, van de mate
van verwijtbaarheid en van de persoonlijke omstandigheden van de
belanghebbende.
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt met
het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van inlichtingen
gelijkgesteld, het geen gevolg geven aan een oproep voor een
onderzoek dat in het kader van de wet noodzakelijk geacht kan
worden, waaronder begrepen de medewerking aan een huisbezoek.
Afdeling 1 › Hoofdstuk 1
Artikel 4
Horen van de belanghebbende
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013