De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
geweigerd indien:
a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van
een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale
gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding
bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;
b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen
op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor
tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
c. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van
leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een
onverwacht optredende noodzaak;
d. de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is
vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door
bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten
woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn
ondervonden;
e. de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van
achterstallig onderhoud aan de woning;
f. de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de
eisen van de tijd.
g. het vermogen gebonden in de aan te passen eigen woning een bedrag van
1,5 maal het bedrag van de vermogensvrijlating eigen woning (art.34 lid
2 sub d WWB) overstijgt en de kosten van de noodzakelijke aanpassing
hoger zijn dan €10000,- en vanuit dit vermogen het noodzakelijke bedrag
voor de aanpassing redelijkerwijs te gelde kan worden gemaakt.
Hoofdstuk 4
Artikel 21
Beperkingen
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Druten 2007 versie 2.0.