**1.** De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin
de belanghebbende wethouder is geweest, doch ten minste voor de duur
van twee jaar en ten hoogste voor de duur van zes jaar. Indien de
belanghebbende met een of meer onderbrekingen wethouder is geweest,
wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij wethouder is
geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield wethouder te
zijn, waarin zijn wethouderschap voor ten hoogste een zesde deel van
dat tijdvak is onderbroken.
**2.** In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de
duur van ten hoogste zes maanden, indien belanghebbende korter dan
drie maanden wethouder is geweest.
**3.** In geval van tussentijds eindigen van de uitkering krachtens artikel
7, onder c, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het
tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering zou zijn geëindigd ingeval
artikel 7, onder c, buiten toepassing was gebleven.
Afdeling 1
Artikel 2
Normale duur van de uitkering
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening wethouders