**1.** Behoudens een ontheffing van het Dagelijks Bestuur is het verboden
om afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer en andere roerende
zaken die het aanzicht van het landschap kunnen schaden in het
werkingsgebied op te slaan.
**2.** Het is de eigenaar, andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van
enige onroerende zaak in het werkingsgebied verboden op deze zaak
een opslagplaats te hebben of te gedogen, dat deze daarop aanwezig
is.
**3.** Het in het eerste en tweede lid vervatte verbod is niet van
toepassing:a. op opslagplaatsen, die gebouwen zijn in de zin van
artikel 1 van de Woningwet, of die zich daarin bevinden;b. op een
tijdelijke opslag van materialen en/of materieel ten behoeve van de
uitvoering of het onderhoud van openbare werken uitsluitend
gedurende die uitvoering of dat onderhoud, doch ten hoogste
gedurende één jaar, mits die opslag is gelegen in de onmiddellijke
nabijheid van de plaats, waar die uitvoering of dat onderhoud
plaatsvindt;c. op een opslag van nieuwe bouwmaterialen en van
afbraak, puin en andere oude bouwmaterialen, op of in een onroerende
zaak, waarop, waaraan of waarin onderhouds-, herstel-, bouw- of
sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, mits deze zaken voor de uit te
voeren werken nodig of van het bouwwerk, dat hersteld of gesloopt
wordt, afkomstig zijn;d. voor zover in het geregelde onderwerp niet
voorzien wordt door de Wet milieubeheer.
**4.** Een blijvende opslagplaats van materialen en/of materieel ten
behoeve van de uitvoering of het onderhoud van openbare werken, die
toebehoort aan een overheidsdienst of een overheidsbedrijf, wordt
geacht met een ontheffing als bedoeld in artikel I.3 van deze
verordening aanwezig te zijn. Het Dagelijks Bestuur kan aan een
zodanige ontheffing voorwaarden en beperkingen verbinden, welke
slechts mogen strekken ter bescherming van de in artikel V.1, vierde
lid bedoelde belangen.