Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.1

Artikel 30

Omschrijving leegstand

Onderdeel van Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs

1. Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:a. wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs, indien uit devergelijking van het aantal groepen zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en decapaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat erten minste een leslokaal niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;b. wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs (metuitzondering van een zelfstandige school voor praktijkonderwijs), indien uit devergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van Bijlage III, deel B en decapaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van Bijlage III, deel A blijkt dat ereen overschot is aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezagop basis van het lesrooster of lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaaraantoont dat er binnen het overschot aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte geensprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten. Voor een zelfstandige schoolvoor praktijk-onderwijs (niet zijnde een afdeling voor praktijkonderwijs) is hetgeenbepaald in lid a van dit artikel van toepassing. 2. Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:a. wanneer het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door een of meer scholen voorbasisonderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat door het collegewordt vergoed minder is dan 40 klokuren;b. wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit deberekening op basis van Bijlage III, Deel B blijkt dat benutting van het gebouw lager isdan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroostersvoor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;c. wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen voorbasisonderwijs, indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a en b eenaantal klokuren lager dan 40 oplevert.

Rechtspraak bij dit artikel