Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 15

Artikel 2.77a

Gebiedsontzeggingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Lansingerland 2010

1.. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. 2.. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste acht weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. 3.. Een verbod krachtens het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd. 4.. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede gestelde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 5.. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod.

Rechtspraak bij dit artikel