Van hinder en/of gevaar voor het wegverkeer als gevolg van overhangende beplanting, zoals bedoeld in artikel 2.1.6.3. APV, is in ieder geval sprake indien:
boven openbare autowegen, parkeerterreinen en rabatstroken de vrije doorrijhoogte minder dan 4,10 meter hoogte bedraagt;
boven openbare fiets- en voetpaden de vrije doorgang minder dan 2,50 meter hoogte bedraagt;
gemeten vanaf de erfgrens het groen tijdens het groeiseizoen van mei tot en met september verder boven openbare autowegen, parkeerterreinen, rabatstroken, voet- en fietspaden uitsteekt dan 0,30 meter,
bij lichtmasten en armaturen de beplanting de lichtval naar de openbare autowegen, parkeerterreinen, rabatstroken, voet- en fietspaden belemmert;
verkeersborden niet vrij van beplanting zijn of door beplanting niet goed zichtbaar zijn.
Hoofdstuk
Artikel 2
Hinder en of gevaar voor het wegverkeer
Onderdeel van Beleidsregels overhangend groen op openbaar gebied Bloemendaal 2008