Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 14

Artikel 14

Onderdeel van Begraafplaatsverordening 1994

1.. Burgemeester en wethouders delen de begraafplaats in en verzorgen de uitgifte van graven naar de volgende onderscheidingen: eigen graven en eigen kindergraven, waarvoor het uitsluitend recht tot het doen begraven wordt verleend, onderscheidenlijk voor de duur van 20 jaar en 25 jaar, waaronder begrepen het doen bijzetten van asbussen; algemene graven voor het doen begraven van een stoffelijk overschot voor de duur van 15 jaar en indien dit een stoffelijk overschot betreft van een kind beneden de leeftijd van 12 jaar, voor de duur van 20 jaar. 2.. In aansluiting aan de in het eerste lid, onder a, genoemde termijnen, kan het daarin bedoelde recht op aanvraag van de rechthebbende worden verleend voor een termijn van maximaal twee van 10 jaar; mits die aanvraag is gedaan binnen twee jaar voorafgaande aan het tijdstip, waarop het uitsluitend recht zal eindigen. In bijzonder gevallen kunnen burgemeester en wethouders een te laat ingediende aanvraag om verlenging van de verstreken termijn van uitgifte in behandeling nemen. 3.. Een verlenging als bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd, indien de rechthebbende niet of niet tijdig het recht voor algemeen onderhoud, als geregeld in de verordening op de rechten voor het gebruik van de nieuwe algemene begraafplaats, heeft voldaan. 4.. Het recht wordt geacht te zijn verleend uiterlijk tot aan het tijdstip, waarop het terrein, met in achtneming van de wettelijke voorschriften aan zijn bestemming van begraafplaats zal zijn onttrokken en overigens onder de in deze verordening opgenomen of later door de gemeenteraad vast te stellen voorwaarden en bepalingen. 5.. Een recht, als bedoeld in dit artikel kan slechts aan één rechthebbende worden verleend.

Rechtspraak bij dit artikel