Naar hoofdinhoud
Van occupatie is sprake indien de gemeentegrond door een niet-rechthebbende in bezit is genomen door zichzelf de feitelijke macht te verschaffen, als ware hij eigenaar. Om van bezit te kunnen spreken moet er sprake zijn van structurele eigendomspretenties. Die moeten blijken uit feitelijke handelingen, zoals het afsluiten van de grond, het gebruiken en/of aanwenden van de grond ten eigen nutte en het plegen van bewerkingen daarvan, daarin of daarop. Of deze feitelijke handelingen voldoende zijn om te spreken van bezit moet worden beoordeeld naar de verkeersopvatting. Occupatie kan geschieden te goeder trouw of te kwader trouw en kan dus leiden tot bezit te goeder trouw of te kwader trouw. Zoals hiervoor werd omschreven, heeft dit onderscheid gevolgen voor de verjaringstermijn. De bewijslast dat er sprake is van bezit en dat de verjaring is aangevangen en voltooid, berust bij degene die zich daarop beroept. En dit zal door de gemeente dan ook te allen tijde worden ingeroepen op het moment dat iemand die naar het oordeel van de gemeente illegaal gebruikmaakt van gemeentegrond, zich op zijn bezit en op voltooiing van de verjaring beroept.

Rechtspraak bij dit artikel