In deze verordening wordt verstaan onder:
a.
de wet:
de Wet werk en bijstand (WWB), de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) ;
b.
algemene bijstand:
de bijstand als bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de WWB;
c.
bijzondere bijstand:
de bijstand als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de WWB;
d.
bijstand:
algemene en bijzondere bijstand;
e.
bijstandsnorm:
de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de WWB, artikel 9 van de IOAW en artikel 9 van de IOAZ;
f.
langdurigheidstoeslag:
de langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36, lid 1 van de WWB;
g.
maatregel:
het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 35 van de IOAW/IOAZ;
h.
het college:
het college van burgemeester en wethouders.