Naar hoofdinhoud
Eerste en tweede lid Ieders eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan leidt tot de verplichting om zo mogelijk proberen te voorkomen dat men een beroep moet doen op een sociale uitkering. Voor hen die zijn aangewezen op werk in dienstbetrekking is deze verplichting onder andere te herkennen in het als maatregelwaardig aanmerken van het door eigen toedoen werkloos worden. Ten aanzien van de IOAZ-uitkeringsgerechtigden, waarbij het gaat om gewezen zelfstandigen die (noodgedwongen) hun bedrijf hebben moeten beëindigen, heeft deze verplichting een iets ander karakter. Ook zij zijn voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag (en uiteraard ook nadien) verplicht om zich in te zetten voor de voorziening in het bestaan, maar in de periode voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag was dat niet door middel van het behouden van arbeid in dienstbetrekking. De zelfstandige dient zijn zelfstandig ondernemerschap op een zodanige wijze uit te oefenen dat hij hiermee duurzaam een inkomen verwerft om te voldoen in zijn levensonderhoud. Laat hij dit op verwijtbare wijze na, en leidt dat vervolgens tot de aanvraag van een IOAZ-uitkering, dan zet hij zich onvoldoende in voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid van de IOAZ. Hij betoont daarmee tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Ook wanneer iemand tijdens de uitkeringsperiode (voor een deel) nog zelfstandige arbeid verricht, is het maatregelcriterium van dit artikel van toepassing. Wat betreft de hoogte van de maatregel is in de eerste twee leden er voor gekozen om een standaardpercentage toe te passen op de verlaging en de ernst van de gedraging uit te drukken in de duur van de maatregel. Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang belanghebbende onafhankelijk van de IOAZ-uitkering zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor het college om af te wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Derde lid In geval van recidive wordt niet de duur van de maatregel verlengd maar wordt de hoogte van de maatregel verdubbeld. Lees voor een nadere toelichting over het begrip recidive de toelichting bij artikel 9, tweede en derde lid. Hoofdstuk 5 Zeer ernstige misdragingen

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel