Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8 › Paragraaf 1

Artikel 8.1.1

Omgevingsvergunning voor het slopen

Onderdeel van Bouwverordening Huizen

1.. Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. 2.. De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid en, indien van toepassing, het zesde lid. 3.. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen slechts voorschriften over: de veiligheid tijdens het slopen; de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval; het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 7.2, onder b, van de Regeling omgevingsrecht. 4.. De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden. 5.. De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk. 6.. Indien het slopen - mede - betreft het verwijderen van asbest in het kader van mutatie- en/of klachtenonderhoud en betrekking heeft op een gespecificeerde lijst van bouwwerken, al dan niet betrekking hebbend op hetzelfde terrein of met elkaar samenhangende terreinen, waarvan ten tijde van vergunningverlening de mogelijkheid en een tijdstip van vergunningplichtig handelen niet kan worden voorzien: a. wordt in de omgevingsvergunning voor het slopen bepaald: 1. dat zij slechts geldt voor een daarin opgenomen termijn van ten hoogste 3 jaar; 2. dat, indien mede een vergunning krachtens andere wetgeving is vereist zoals wordt bedoeld in artikel 8.1.6, onder c en e, ten aanzien van een concrete situatie niet eerder van de omgevingsvergunning mag worden gebruik gemaakt dan op het tijdstip waarop die vergunning in werking treedt. b. kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voor het slopen, omverminderd het derde lid, mede voorschriften verbinden die regelen dat vergunninghouder ten minste vijf werkdagen voorafgaand aan de aanvang van het slopen van asbest uit/van een bouwwerk het bevoegd gezag een afschrift van het asbestinventarisatierapport van dat bouwwerk verstrekt, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005, onverminderd het bepaalde in artikel 8.3.3, derde lid; c. kan het bevoegde gezag de onder a, sub 1 bedoelde termijn op verzoek van vergunninghouder verlengen, tellkens met ten hoogste drie jaar. 7.. Burgemeester en wethouders kunnen beleidsregels vaststellen omtrent de lengte van de termijn, alsmede de afweging inzake het verzoek om verlenging daarvan, zoals vastgesteld in lid 6.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel