**1..** De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt met inachtneming
van het bepaalde in artikel 11 door de beheerder.
**2..** Tot de begraving of bijzetting wordt niet overgegaan dan nadat:
**a..** de beheerder, indien deze heeft geconstateerd dat aan de in de
artikelen 14 en 15 opgenomen vereisten is voldaan, hiervoor opdracht
aan het personeel van de begraafplaatsen heeft verleend;
**b..** alleen bij begraving van een stoffelijk overschot, het personeel van
de begraafplaatsen de identiteit van het stoffelijk overschot heeft
vastgesteld door vergelijking van het op de kist of een ander
lijkomhulsel vermelde registratienummer met dat op een bijgevoegd
document dat tevens de namen, overlijdens- en geboortedatum van de
overledene dan wel de geslachtsnaam van de levenloosgeborene
bevat.
Hoofdstuk
Artikel 16
Artikel 16
Onderdeel van Verordening voor het beheer van de gemeentelijke begraafplaatsen