Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 23

Het recht op een vervoersvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning

1.. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een vervoersvoorziening als in artikel 22 onder a. vermeld in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken en sprake is van een zelfstandige vervoersbehoefte. 2.. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een vervoersvoorziening als in artikel 22, eerste lid b. en c. vermeld in aanmerking worden gebracht wanneer een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22, eerste lid, sub a gelet op aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek collectief vervoer niet adequaat is, een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22, eerste lid, sub a gelet op vervoersbehoefte niet aanwezig is. 3.. Bij het vaststellen van de hoogte van het Persoonsgebonden budget voor vervoerskosten als bedoeld in artikel 22 onder c. kan rekening worden gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de persoon met beperkingen en de mate waarin een collectief vervoersysteem als bedoeld in artikel 22 eerste lid onder a. in die vervoersbehoefte kan voorzien. 4.. Voor zover de behoeften van echtgenoten, beiden personen met beperkingen, niet samenvallen wordt niet meer dan anderhalf maal een enkele voorziening toegekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel