Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten
gevolge van:a. een sloopvergunning als bedoeld in artikel
37, eerste lid (Monumentenwet 1988);b. een aanlegvergunning
als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wet ruimtelijke
ordening;c. een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6,
eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van de Wet ruimtelijke
ordening;d. een projectbesluit als bedoeld artikel 1.1,
eerste lid, onder f, van de Wet ruimtelijke ordening;e. een
reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste
lid, van de Woningwet; - tengevolge van de weigering daarvan
in het belang van de archeologische monumentenzorg of; - ten
gevolge van voorschriften die in het belang van de
archeologische monumentenzorg aan het desbetreffende besluit
zijn verbonden, schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet
geheel te zijner laste behoort te blijven, kent het college
hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen
schadevergoeding toe (artikel 42 Monumentenwet 1988).
Voor schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in
artikel 57, tweede lid (Monumentenwet 1988), die
redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de
belanghebbende behoort te blijven, kent het college op
verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
toe.
Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van
de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing
van afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van
overeenkomstige toepassing.