Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 7

Gebruiksverboden

Onderdeel van Verordening recreatieoorden gemeente Maasdriel

1.. Het is verboden binnen de recreatieoorden: havens, aanleggelegenheden, hellingen, steigers, golfbrekers, beschoeiingen of daarmee gelijk te stellen werken te maken, te doen maken of te hebben, of masten, hijskranen of soortgelijke voorwerpen op te richten of te hebben op andere dan daartoe door het college aangewezen plaatsen; schepen te meren anders dan aan daartoe door het college aangewezen plaatsen; in of boven het water palen, vlotten, skischansen, bruggen, getimmerten of daarmee gelijk te stellen voorwerpen te plaatsen, te doen plaatsen of te hebben; met schepen ligplaats in te nemen in de vóór de visoevers gelegen rietkraag of in deze rietkraag te ankeren; schepen te water te laten, uit het water te halen, op gronden neer te leggen of te laten liggen op andere dan de daarvoor aangewezen plaatsen; in, onder, op of boven het water touwen, kettingen, metalen draden of kabels, voor zover deze niet gebruikt worden voor het meren of slepen van schepen, te leggen, te doen leggen, te spannen, te doen spannen of te hebben. 2.. Het verbod genoemd in het eerste lid, onder a, geldt niet voor steigers, die op het moment van vaststelling van deze verordening binnen het recreatieoord reeds waren opgericht. 3.. De verboden genoemd in het eerste lid, onder b en c, gelden niet voor stokken en bootstaken, waarmee roei- en visboten, zeilboten en andere kleine schepen worden vastgemaakt, mits deze vóór het wegvaren worden verwijderd en de lengte van de boten niet meer bedraagt dan 5 meter. 4.. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden genoemd in het eerste lid ten behoeve van werken en werkzaamheden ter uitvoering van de inrichtingsplannen voor de recreatieoorden. 5.. De verboden, genoemd in het eerste lid, onder a en c gelden onverminderd het bepaalde in artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

Rechtspraak bij dit artikel