De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
geweigerd indien:
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek
geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden
aanwezig was;
de aanvrager is verhuisd naar een ongeschikte woning zonder dat
daarvoor vooraf schriftelijke toestemming was gegeven door het
college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
extra trapleuningen;
de woonvoorziening, als genoemd in artikel 15, onder a,
aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd,
gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een
onverwacht optredende noodzaak;
De aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is
naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
problemen met het normale gebruik van de woning zijn
ondervonden.