De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.
Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals:
een onverantwoorde besteding van vermogen (als interingsnorm kan 1,5 keer de bijstandsnorm plus premie standaardpolis ziektekostenverzekering worden gehanteerd, zoals deze ook gold onder de Algemene bijstandswet);
geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;
het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering.
In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven.
Hoofdstuk 3.
Artikel 14.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand