Naar hoofdinhoud

Artikel 12

Geheimhouding

Onderdeel van Algemene commissieverordening

1.. De commissie kan in een besloten vergadering, op grond van het belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en alleen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft. 2.. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter van de commissie, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de commissie overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel de raad haar opheft. 3.. Indien de commissie zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot de raad heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat de raad haar opheft. 4.. Stukken waaromtrent geheimhouding is opgelegd waaronder de daarop betrekking hebbende ontwerpnotulen, liggen voor de leden van de raad bij de secretaris van de commissie ter inzage.

Rechtspraak bij dit artikel