Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Toeslagenverordening WWB 2009

Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat belanghebbende de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet het geval is, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. In de toelichtende stukken op het wetsvoorstel is hierover opgemerkt dat voor het bepalen van de hoogte van de toeslag alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in aanmerking worden genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten opzichte van degene die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert. Onderstaande tekst is onderdeel van de toelichting op artikel 25 WWB. "De landelijke uitkeringsniveaus voor alleenstaanden en alleenstaande ouders veronderstellen dat de betrokkene de kosten geheel met een ander kunnen delen en sluiten dus in de situatie dat dit niet het geval is niet zonder meer aan bij de feitelijke noodzakelijke bestaanskosten van de belanghebbende. De hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten wordt mede bepaald door de mate waarin de belanghebbende de kosten met een ander kan delen. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. Dit laat onverlet dat ook andere uitgaven in aanmerking dienen te worden genomen waarbij partners schaalvoordelen hebben door het gezamenlijk opbrengen van alle kosten van huisvesting en huishouding. Bij de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd kan met name gedacht worden aan duurzame gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen en diverse andere kosten. Bij de beoordeling of belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt, maar of het - gegeven de omstandigheden - redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. Daartoe wordt gesproken van het 'kunnen delen' van de kosten. Met deze omschrijving beoogt het kabinet uitdrukkelijk niet aan te geven dat van de belanghebbende kan worden gevergd dat deze bijvoorbeeld zijn woonsituatie aanpast om zo met een lagere bijstandsuitkering te kunnen volstaan." De mate waarin de bestaanskosten kunnen worden gedeeld bepaalt, zoals gezegd, de hoogte van de toeslag. De toeslag bedraagt minimaal 0% en maximaal 20%. Degene die voor een toeslag in aanmerking wenst te komen, moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van kosten die kunnen worden gedeeld en dat er derhalve terecht aanspraak op een toeslag wordt gemaakt. De toeslag maakt een integraal deel van de bijstandsuitkering uit. De algemene inlichtingenverplichting die op aanvrager rust, geldt ook voor het toeslagendeel. Aanvrager zal dan ook door middel van het overleggen van gegevens het recht moeten aantonen. Artikel 30, tweede lid WWB Artikel 30, tweede lid WWB schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in artikel 25, tweede lid, van de wet. De maximale toeslag komt neer op 20%. In deze verordening wordt volstaan met een verwijzing naar het bedrag zoals dat in de wet is genoemd. Dit bedrag wordt regelmatig bijgesteld. De artikelen 27, 28 en 29 van de wet geven de gemeente de bevoegdheid om voor bepaalde categorieën de bijstandsnorm of de toeslag lager vast te stellen. Dit betekent dat indien aanvrager voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 25, eerste lid WWB, het toch kan zijn dat er geen recht op een toeslag bestaat van 20% van het netto minimumloon, indien de gemeente daarnaast tevens gebruik maakt van de mogelijkheid om de bijstandsnorm of de toeslag te verlagen (zie de artikelen 4 tot en met 8 van deze verordening). Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden berekend op 10%. Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de toeslag als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10% van het netto minimumloon. Het aantal personen die  kosten kunnen delen is niet van invloed op de hoogte van de toeslag. De standaardtoeslag van 10% kan in drie gevallen verhoogd worden met een toeslag van 10% als een van de onderstaande situaties van toepassing is: Men is als inwonende een commerciële prijs verschuldigd voor woonkosten waarbij wordt verondersteld dat men niet of nauwelijks kosten kan delen. Als men al kosten kan delen dan wordt er van uitgegaan dat die dermate laag zijn dat een extra toeslag van 10% gerechtvaardigd is. Zijn er een of meer kinderen als medebewoner met een inkomen hoger dan de inkomensgrens dan vervalt de (extra) toeslag van 10%. Voor inwonende kinderen bij de ouders geldt dat zij altijd wel enige schaalvoordelen hebben, reden waarom de toeslag van 10% niet verder verhoogd wordt ook al stelt men dat een commerciële prijs betaald wordt. Dit laatste heeft niet hetzelfde karakter als bijvoorbeeld tussen een verhuurder en onderhuurder. Als er uitsluitend een of meer niet ten laste komende kinderen zijn met een gering inkomen, lager dan de inkomensgrens dan wordt er van uitgegaan dat zij niet kunnen bijdragen aan het delen van kosten. Hieronder vallen ook de niet ten laste komende kinderen van 16 en 17 jaar. Het aantal kinderen is niet van invloed. Heeft een kind een inkomen hoger dan de inkomensgrens dan wordt er geen extra toeslag van 10% verleend. Zijn er naast die kinderen nog andere medebewoners dan wordt ook geen extra toeslag verleend, tenzij artikel 3 lid 4 sub a van toepassing is. Ook kinderen van 21 jaar en ouder kunnen een gering inkomen hebben. Volgens jurisprudentie (JABW 2000/157; Pres. CRvB 08-08-2000, nrs. 00/3257 NABW en 00/3302 NABW-VV) moet telkens uitgegaan worden van de feitelijke inkomsten en is het hanteren van een fictief inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsuitkering niet toegestaan. In twee situaties is duidelijk dat men niet kan bijdragen aan het delen van kosten. Namelijk degenen die enkel een studiebeurs ontvangen dan wel een (verlaagde) bijstandsuitkering als schoolverlater hebben. In onderdeel c van het vierde lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden eveneens niet worden meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbenden vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag.  Er dient een familierelatie in de eerste dan wel tweede graad te bestaan om als verzorgingsbehoeftige te worden aangemerkt. Voor het begrip commerciële prijs wordt een percentage van 15% gehanteerd van de norm echtpaar als bedoeld in artikel 21 WWB. Dit is afgeleid van het begrip woonkosten zoals gehanteerd wordt door het Nibud. Bij kamerverhuur en (begeleide) kamerbewoning in het “Verdihuis” wordt om praktische redenen uitgegaan van de huurprijs inclusief eventueel bijkomende leveringen en diensten (bijvoorbeeld gas, water en stroom etc.). Bij kostgangers daarentegen wordt een aftrek op het kostgeld toegepast voor voeding gebaseerd op de normen van het Nibud. Het dan resterende bedrag wordt afgezet tegen het bedrag voor een commerciële prijs. De inkomensgrens inwonend kind is bepaald het bedrag voor WSF-levensonderhoud zoals genoemd in artikel 33 lid 2 onderdeel a WWB plus de toeslag van 20%. Alleen als het inkomen van het kind lager is wordt de toeslag verhoogd tenzij er andere (niet zijnde kinderen) medebewoners zijn. Voor alle duidelijkheid wordt er op gewezen dat de standaard toeslag van 10% met maximaal 10% verhoogd kan worden. Verdere verhoging kan alleen in het kader van de bijzondere bijstand op grond van bijzondere omstandigheden. Dit staat dus los van het kunnen delen van de kosten zoals bedoeld in de systematiek van toeslagen en verlagingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel