Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage WWB-jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd en niet op de verleende bijzondere bijstand, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand.