Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
de wet: de Wet op de Kansspelen;
Speelautomatenbesluit: KB van 24 mei 2000 (Stb. 224);
speelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, sub a van
de Wet;
behendigheidsautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30,
sub b van de Wet;
kansspelautomaat: een automaat als bedoeld in artikel 30, sub c
van de Wet;
speelautomatenhal: een ruimte, bestemd om het publiek
gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te
beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, lid 1 onder c van de
Wet;
ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting
exploiteert, als bedoeld in artikel 30c, lid 1 onder e van de
Wet;
beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de
onmiddellijke leiding in een inrichting als bedoeld in artikel
30c, lid 1 onder c van de Wet is belast;
openbare weg: alle voor openbaar rij- en ander verkeer
openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen
bruggen en duikers, de tot die wegen en paden behorende bermen
en zijkanten, alsmede kampeerplaatsen en de aan de wegen of
paden liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 30c, lid 1 sub
a en b van de Wet;
laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel
30, sub e van de Wet;
hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel
30, sub d van de Wet.