In deze verordening wordt verstaan onder:
a. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.
b. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of heg, met de onder sub a. genoemde minimale dwarsdoorsnede.
c. openbare ruimte: de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke ruimte, zoals wegen, parkeerplaatsen, stoepen, pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen.
d. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
e. vellen: rooien: kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 30 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
f. rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand.
g. kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand;
h. kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon van een boom tot een hoofdstam met takstompen.
i. monumentale boom: een houtopstand die is opgenomen op de gemeentelijke lijst van monumentale bomen. Deze lijst betreft zowel gemeentelijke als particuliere monumentale bomen.
j. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet.
k. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.