Naar hoofdinhoud

Artikel 42

Artikel 42

Onderdeel van Havenverordening Almelo

Bijzonderheden inzake inwerkingtreding. Bij de inwerking treden van deze verordening vervallen de artikelen 50, 52, 53 en 54 van de Algemene Politieverordening voor Almelo van 1 april 1982. Ontheffingen en vergunningen, verleend krachtens de artikelen genoemd in de in het vorige lid aangehaalde verordening blijven gelden, tot zij ingetrokken of vervallen zijn. ONDERSCHRIFT Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 april 1987. de secretaris, de voorzitter, M.Snijder F.J.H. Schneiders TOELICHTING. Algemeen. In het verleden werd een aantal zaken betreffende de haven geregeld in de Algemene Politieverordening (APV). Enige jaren gelden is de APV gewijzigd, en zijn de artikelen betreffende de haven geschrapt met de bedoeling deze op te nemen in een havenverordening. Deze verordening is geschreven na advies van de Vereniging van Havenmeesters in Nederland, de provinciale Waterstaat, politie, brandweer, de Kamer van Koophandel en toegezonden aan de Schippersvereniging "Schuttevaer". De verordening is aangepast aan het op 1 april 1984 in werking getreden Binnenvaartpolitiereglement (BPR), dat bepalingen bevat ter voorkoming van aanvaring of aandrijving op de openbare wateren in het Rijk die voor de scheepvaart open staan, met uitzondering van enkele grote rivieren. In verband met het feit dat het Binnenvaartpolitiereglement ook geldt voor de Almelose wateren heeft deze verordening slechts een beperkte omvang. Bij het opstellen van de verordening is zoveel mogelijk getracht de bestaande oneffenheden weg te werken en de in de praktijk opgedane ervaringen door middel van ge- en verbodsbepalingen in de verordening op te nemen. De ontwerpverordening bestaat uit 8 hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat algemene bepalingen zoals begripsomschrijvingen, vergunning, ontheffing, etc. Hoofdstuk 2 behandelt de orde en veiligheid met betrekking tot de scheepvaart in het algemeen. Hierin zijn een aantal ge- en verboden opgenomen, die deze orde en veiligheid beogen te handhaven. Hoofdstuk 3 geeft een volledige regeling inzake het aanmeren en innemen van ligplaatsen. Hoofdstuk 4 bevat bepalingen omtrent het laden en lossen. Hoofdstuk 5 bevat bepalingen, die verband houden met het vervoeren, laden en lossen van gevaarlijke stoffen, mede gezien in het licht van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de daarbij behorende uitvoeringsmaatregelen. Hoofdstuk 6 bevat een regeling voor het voorkomen en bestrijden van brand. Hoofdstuk 7 somt maatregelen tegen verontreiniging van water en kaden op. Hoofdstuk 8 regelt de strafbepalingen, welke van toepassing zijn bij overtreding van ge- en verbodsbepalingen bij of krachtens deze verordening gesteld. In deze verordening zijn overigens geen regels gesteld inzake de bouw en inrichting van vaartuigen, de nationaliteit daarvan en de aan de schipper te stellen eisen, omdat deze onderwerpen vrijwel geheel door regelingen van de rijksoverheid worden beheerst. Opgenomen is de bepaling, dat uitvoering van één of meer artikelen van de verordening kan worden overgedragen aan ambtenaren van de havendienst waarbij de havenmeester onder leiding van de directeur van de Hoofdgroep Reiniging, Haven- en Marktdienst optreedt als hoofd van de ambtenaren van de havendienst. De praktijk heeft uitgewezen, dat een dergelijk artikel onmisbaar is teneinde een slagvaardig beleid te kunnen voeren. In verband daarmee is ook bepaald, dat van de beslissingen van de havenmeester beroep open staat op het College van burgemeester en wethouders. Deze bepaling beantwoordt geheel aan hedendaagse rechtsopvattingen. Gelet op de huidige wetgeving op het gebied van de gevaarlijke stoffen en het milieu is het noodzakelijk dat een aantal bepalingen hieromtrent wordt opgenomen ten behoeve van de bescherming van de haven en kaden. ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1. Dit artikel is een algemeen definitieartikel. Begrippen, die meermalen in de verordening voorkomen, worden hier omschreven. De definities zijn opgenomen om met een korte omschrijving een samengesteld begrip aan te geven. Waar mogelijk is aansluiting gezocht bij het Binnenvaartpolitiereglement. Artikel 2. Ter wille van de overzichtelijkheid en de leesbaarheid is een algemeen artikel opgenomen, waarin alle mogelijkheden tot het verlenen van vergunning c.q. ontheffingen zijn vermeld. In de artikelen waarvoor vergunning of waarvoor ontheffing kan worden verleend wordt bij de aanhef hiernaar verwezen. Artikel 3. Vergunningen en ontheffingen worden verleend door burgemeester en wethouders, tenzij de verlening geschiedt door de burgemeester, voornamelijk in verband met de uitvoering van artikel 219 van de Gemeentewet. Vergunningverlening is slechts mogelijk in de aangegeven gevallen. Er kunnen voorschriften worden gesteld, die betrekking hebben op de geregelde materie. Er zijn geen voorschriften opgenomen over de duur van de vergunning. Ook vergunningen die voor onbepaalde tijd worden verleend, kunnen worden ingetrokken, mits rekening wordt gehouden met de belangen, die het onderwerp van de regeling zijn. Ontheffingen kunnen eveneens slechts worden verleend in de gevallen in de verordening opgenomen. Het verschil tussen de vergunning en de ontheffing is, dat de gemeentelijke overheid met het stellen van het verbod en de mogelijkheid van het verlenen van de vergunning aangeeft een bepaald beleid te willen voeren. Door de vergunning en het stellen van de voorschriften is ordening mogelijk. Waar de gemeentelijke overheid als regel een totaalverbod beoogt stelt zij burgemeester en wethouders in de gelegenheid bij wijze van uitzondering een ontheffing te verlenen als dat rechtvaardig wordt geoordeeld om een burger tegemoet te komen. Ook dan kunnen voorschriften worden gesteld. Het bezit van een vergunning maakt deel uit van de norm. In het artikel is dan ook een zodanige omschrijving gevolgd, dat het niet bezitten van een vergunning door de vervolgende gerechtelijke instantie moet worden bewezen. Voor de ontheffing geldt de regel, dat men in beginsel strafbaar is. Degene, die meent dat hem een ontheffing is verleend, moet het bestaan van de ontheffing bewijzen. Artikel 4. Burgemeester en wethouders kunnen in voorkomende gevalle n een machtiging verstrekken bij de uitvoering van de verordening. De burgemeester heeft deze mogelijkheid niet, voor zover hij met de uitvoering van een bepaald onderdeel van de verordening is belast. Bij het redigeren is aansluiting gezocht bij de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Wet AROB). Artikel 5. Naast de algemene opsporingsambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering maakt dit artikel het mogelijk enkele bijzondere opsporingsambtenaren aan te wijzen, die alleen ten aanzien van bepaalde artikelen van de onderhavige verordening opsporingsbevoegdheid hebben. Hierbij valt te denken aan de havenmeester en/ of diens plaatsvervangers, de commandant van de brandweer. Artikel 6, 7 en 8. Deze artikelen behoeven geen toelichting. Artikel 9. Hiermee wordt voorkomen dat her en der boten uit het water worden gehaald of in het water worden gelaten. Door middel van een vergunning kunnen voorschriften gesteld worden, waardoor met name schade aan de waterkant en kaden kan worden voorkomen. Artikel 10. Met dit artikel wordt voorkomen dat er eventueel schade ontstaat aan kunstwerken, oevers en taluds. Artikel 11. Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid in te grijpen in verband de openbare orde en veiligheid en ter voorkoming van schade die onbeheerde schepen en drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen kunnen veroorzaken. Artikel 12. Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 13. Het in lid 1 van dit artikel bedoelde verbod is belangrijk. De openbare orde en veiligheid gebieden ook in dit opzicht voorschriften te geven. Aan de te verlenen vergunningen op grond van lid 1 kunnen verschillende voorschriften worden verbonden. Te denken valt aan maatregelen om het scheepvaartverkeer niet te belemmeren, om vervuiling van en het werpen van voorwerpen in de wateren tegen te gaan. Artikel 13 is ook op woonschepen van toepassing. Om het verbod in lid 1 een niet te ruime strekking te geven, zijn in lid 2 uitzonderingen opgenomen voor nood- en resp. kleine reparaties. Artikel 14, 15 en 16. Deze artikelen behoeven geen toelichting. Artikel 17. Dit artikel beoogt met name de vrijheid voor het scheepvaartverkeer te waarborgen buiten de door burgemeester en wethouders aangegeven openbare zwemplaatsen. Tevens wordt met dit artikel de veiligheid te water vergroot. De bevoegde ambtenaren kunnen mede op basis hiervan de nodige aanwijzingen of waarschuwingen geven en zonodig optreden. Artikel 18. In dit artikel zijn voorschriften opgenomen, waarbij het de zwemmer is verboden zich zodanig te gedragen, dat het scheepvaartverkeer ernstig hinder ondervindt. Artikel 19. Hierbij wordt de onbeheerd liggende boot beschermd. De bescherming strekt zich ook uit tot vaartuigen, die op of aan de weg of op of aan de kade of oever liggen. Artikel 20, 21 en 22. Deze artikelen behoeven geen toelichting. Artikel 23 Het direct aanmelden van de aankomst van de vaartuigen is belangrijk in verband met het algemene toezicht, dat op de ligplaatsen in de wateren moet worden uitgeoefend. Het 2e lid maakt het mogelijk, dat de ambtenaren van de havendienst regelend kunnen optreden ten aanzien van de ligplaatsen. Artikel 24. Deze bepaling waakt er onder meer voor, dat de gemeente ontsierd wordt door drijvende opslagplaatsen, winkels, kantoorruimten, e.d. en beoogt het bestaande woonschepenbeleid, in deze het verminderen van het aantal woonschepen, te waarborgen. Artikel 25. Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 26. Dit artikel heeft mede tot doel de ondermijning van kaden tegen te gaan. Artikel 27. Omdat niet te voorkomen is, dat bij het laden of lossen "iets in het water valt" is de redactie van dit artikel zo gesteld, dat havengebruikers verplicht kunnen worden gesteld tenminste de minimale voorzieningen te doen aanbrengen, welke veelal ontbreken. Artikel 28 en 29. Deze artikelen behoeven geen toelichting. Artikel 30. Hiermee wordt het juiste gebruik van de haven gestimuleerd. Artikel 31. Dit artikel is geredigeerd overeenkomstig de huidige wetgeving op het gebied van gevaarlijke stoffen. In lid 1 wordt het voorgeschreven model bedoeld (zie bijlage). Artikel 32, 33 en 34. Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. Artikel 35. Hoofdstuk 7 van de verordening, waarin onder meer dit artikel is opgenomen, is van belang voor het treffen van maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van haven en kaden. Deze maatregelen kunnen schade aan het milieu voorkomen, terwijl deze bepalingen tevens in het belang van de volksgezondheid moeten worden geacht. Artikel 36. Niet alleen de schippers hebben de in deze verordening gestelde verplichting, maar ieder, onder wiens verantwoordelijkheid de lossing of de belading van een vaartuig plaatsvindt. De aannemer, bouwhandelaar, betonfabrikant, enz., die in zijn opdracht op de wal materiaal laat lossen op zijn loswal, heeft ook de verplichting toe te zien, dat de lossing op een behoorlijke manier geschiedt, dat wil zeggen dat het materiaal op de juiste plaats op zijn loswal gelost wordt en dat geen materiaal gedeponeerd wordt in de vaarweg of op de taluds. Zij beschikken over de mogelijkheid en hebben ook de verplichting bij niet juiste lossing deze te doen stoppen. Artikel 37. Hiermee wordt beoogd dat zowel restanten, zie artikel 36, als gereedschap wordt opgeruimd. Artikel 38. Hiermee kan men voorschriften stellen aan gebruik van kaden en oevers. Artikel 39. Het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens wordt hierbij strafbaar gesteld. Artikel 40. In dit artikel is de strafbepaling opgenomen. Het niet naleven van voorschriften gesteld in een vergunning of ontheffing is door het hier bepaalde eveneens strafbaar gesteld. De tweede categorie heeft een maximum van f.5.000,--. Artikel 41. De citeertitel en de dag van inwerkingtreding van de verordening worden in dit artikel vastgesteld. Artikel 42. Het is noodzakelijk deze overgangsbepalingen op te nemen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel