Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a WIJ is de gemeenteraad verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1.
Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur, stookkosten, verzekeringen, heffingen, belastingen, vastrecht). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats.
Evenals in de toeslagenverordening WWB is in deze verordening als uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is. De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat deze de meest efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijv. CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval anderen in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben. Het aantal personen die kosten kunnen delen is niet van invloed op de toeslag.
De standaardtoeslag van 10% kan verhoogd worden met een toeslag van 10% als een van de onderstaande situaties van toepassing is:
er is als inwonende een commerciële prijs verschuldigd voor woonkosten waarbij wordt verondersteld dat men niet of nauwelijks kosten kan delen. Als men al kosten kan delen dan wordt er van uitgegaan dat die dermate laag zijn dat een extra toeslag van 10% gerechtvaardigd is. Voor inwonende jongeren bij de ouders geldt dat zij altijd wel enige schaalvoordelen hebben, reden waarom de toeslag van 10% niet verder verhoogt wordt ook al stelt men dat een commerciële prijs betaald wordt. Dit laatste heeft niet hetzelfde karakter als bijvoorbeeld tussen een verhuurder en onderhuurder.
medebewoning van zorgbehoevende. Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om jongeren vanwege deze verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. Er dient een familierelatie in de eerste dan wel tweede graad te bestaan om als verzorgingsbehoevende te worden aangemerkt.
Voor het begrip commerciële prijs wordt een percentage van 15% gehanteerd van de gehuwdennorm. Dit is afgeleid van het begrip woonkosten zoals gehanteerd wordt door het Nibud. Bij kamerverhuur en (begeleide) kamerbewoning in het Verdihuis wordt om praktische redenen uitgegaan van de huurprijs inclusief eventueel bijkomende leveringen en diensten (bijvoorbeeld gas, water en stroom). Bij kostgangers daar en tegen wordt een aftrek op het kostgeld toegepast voor voeding gebaseerd op de normen van het Nibud. Het dan resterende bedrag wordt afgezet tegen het bedrag voor een commerciële prijs.
Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129 NABW).
HOOFDSTUK 4.
Artikel 3.
Toeslagen alleenstaande (ouder)
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren gemeente Oss