Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II › Paragraaf 2

Artikel 4

De duur van de uitkering

Onderdeel van Verordening geldelijke voorzieningen raadsleden, wethouders, commissieleden en fracties

1.. De duur van de uitkering komt overeen met een vierde van de laatste aaneengesloten periode van het lidmaatschap van de raad, met dien verstande dat de uitkeringsduur ten minste 1 maand en ten hoogste 24 maanden is. 2.. Indien een gewezen raadslid dat een uitkering geniet, opnieuw tot lid van de raad wordt beëdigd, wordt voor de toepassing van het eerste lid de voorgaande zittingstermijn meegeteld, tenzij sprake is van een onderbreking tussen de beide perioden van het raadslidmaatschap van meer dan drie maanden.

Rechtspraak bij dit artikel