Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II › Paragraaf 2

Artikel 8

Uitkering bij overlijden

Onderdeel van Verordening geldelijke voorzieningen raadsleden, wethouders, commissieleden en fracties

1.. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een raadslid wordt aan de nabestaande van het raadslid een bedrag ineens uitgekeerd, gelijk aan de vergoeding voor de werkzaamheden over een tijdvak van drie maanden. 2.. Indien de overledene geen nabestaande nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van minderjarige wettige of natuurlijke kinderen danwel pleegkinderen. Ontbreken ook deze, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was voor ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen. 3.. Onder de nabestaande van een raadslid wordt verstaan: degene met wie het raadslid was gehuwd danwel zijn/haar levenspartner, indien de niethuwelijkse samenlevingsvorm blijkt uit een bij een notaris opgemaakt samenlevingscontract. 4.. De voorgaande leden zijn eveneens van toepassing in geval van overlijden van een gewezen raadslid gedurende de uitkeringsperiode. De uitkering ineens komt dan overeen met de feitelijke uitkering op dat moment over een tijdvak van drie maanden.

Rechtspraak bij dit artikel